Jan van Ettinger

Ir.Jan van Ettinger

Jan van Ettinger werd geboren op 13 april 1902 in Rotterdam als zoon van carrosseriebouwer Pieter van Ettinger (1874-1925, Rotterdam).

Zijn technische opleiding begon hij in de jaren ’20 op de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, waarna hij in Delft werktuigbouwkunde ging studeren (afgestudeerd in 1929). Hij studeerde niet af met een technisch-constructief, maar met een technisch-organisatorisch onderwerp, een fabriek voor een nieuw product. Professor Volmer zag dat de begaafdheid van de jonge ingenieur op een ander gebied lag dan dat van de traditionele technische wetenschappen en raadde hem aan zich te specialiseren in de toepassing van wiskundige statistiek op industriële problemen. Deze specialisatie is Van Ettinger zich eigen gaan maken, grotendeels door middel van zelfstudie.

Hij voelde zich aangetrokken door wat de statistiek beloofde: eenheid te brengen in de chaotische veelheid der dingen.

Op het gebied van de industriële statistiek was Van Ettinger een pionier evenals later op andere gebieden. Hij deelde ook het lot van de pionier, dat zijn ideeën te vroeg kwamen voor de wereld waarin hij leefde. Hij werd gedwongen meer conventionele wegen te bewandelen: hij werd directeur van een kleine metaalindustrie in Rotterdam.

d3

Dit kwam voort uit zijn contact met ontwerper Paul Schuitema, die hij op de Rotterdamse Academie had leren kennen. Deze benaderde hem met de vraag of hij een stoel kon maken die Schuitema ontworpen had, een model met een in die tijd populaire stalen buis-constructie. Dit lukte wel, en toen die klaar was stelde Van Ettinger voor: “Zeg, wouden we niet meer van die stoelen maken, dat is wel een leuk geval?”.  Nog een andere kennis van de Academie, Philip Dekker junior werd benaderd want Van Ettinger wist dat diens vader een metaalfabriekje had. Vader Dekker wilde wel mee in het avontuur en in 1932 begon de Apparatenfabriek van Dekker (in de Burgemeester Roosstraat) met de seriematige productie van de ontwerpen van Schuitema (overigens ook van andere ontwerpers, ook van Van Ettinger zijn ontwerpen uitgevoerd).

De drie mannen startten de Verkooporganisatie d3, waarin Schuitema verantwoordelijk was voor de ontwerpen, Dekker voor de productie en Van Ettinger voor de verkoop en algemene leiding. In zijn contacten met afnemers werd Van Ettinger duidelijk hoe belangrijk een constante kwaliteit van de productie was, en dat hij later een succesvol manager kon worden, heeft hij verklaard uit het feit dat hij tóén alle fouten heeft gemaakt die een manager kan maken.

Na een succesvolle start, maar gehinderd door leveringsvertraging vanwege beperkte productiecapaciteit, betrok de Apparatenfabriek in 1934 een fabriek aan de Ceintuurbaan. Met moderne machines en geavanceerde verchroomtechniek kwam de massaproductie op gang. Maar bij de schaalvergroting namen ook de managementproblemen toe: onenigheid over auteursrechten, klachten over afwerking, slechte communicatie. De druppel was voor Schuitema en Van Ettinger dat de fabriek speciaal-modellen bleek te willen maken voor goed betalende klanten. Dat was tegen hun opvatting van massaproductie die de producten voor gewone mensen bereikbaar maakt. De twee besloten d3 als zelfstandig bedrijf voort te zetten, om (ook) elders te kunnen laten produceren. Zowel de Apparatenfabriek als d3 gingen vervolgens failliet in 1935, waarop Van Ettinger samen met Dekker jr. de boedel overnam en een doorstart maakte onder de naam FANA metaal (Fabriek van Nauwkeurige Metaalbewerking). Dit bedrijf heeft tot 1976 bestaan.

De Statistiek

Van Ettinger wilde zich echter volledig gaan wijden aan de statistiek. In 1939 trad hij dan ook in dienst bij het Centraal Bureau voor de Statistiek.  Daar werkten op dat moment een aantal personen met een bijzondere gedrevenheid vanuit een humanistisch-socialistisch wereldbeeld, waar Jan van Ettinger blijkbaar goede aansluiting bij vond. We noemen: de toenmalig directeur Philip Idenburg, de hoogleraar econometrie en latere Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen, de gevluchte Oostenrijkse filosoof/econoom/socioloog Otto Neurath, de eveneens gevluchte, activistische Duitse beeldend kunstenaar Gerd Arntz. De laatste twee vormden het Instituut voor Beeldpedagogiek. Zij ontwikkelden ISOTYPE, waarmee statistische gegevens in beeld gebracht werden en waar Van Ettinger sindsdien enthousiast gebruik van ging maken, geassisteerd door Arntz.

  Enkele ISOTYPE-pictogrammen

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 kwamen Neuman en Arntz in de knel. Neurath kon nog net naar Engeland vluchten, maar Arntz miste letterlijk de boot. Als overheidsinstelling kon het CBS geen gezochte personen in dienst hebben, reden voor Idenburg om voor deze medewerkers op eigen kosten een particuliere stichting op te richten: de Nederlandse Stichting voor Statistiek. Idenburg stelde Jan van Ettinger aan als algemeen secretaris (de directiefunctie). Die moest ‘de boer op’ om opdrachten te verwerven, waardoor Arntz en anderen die inmiddels door de bezetting in moeilijkheden waren gekomen aan het werk konden. Van Ettinger wist banken te interesseren voor het opsieren van hun jaarverslagen met beeldstatistieken. Ook wist hij grote bedrijven (Calvé was er één van) als opdrachtgever aan zich te binden. De diensten die de Stichting aan Calvé leverde, waren adviezen inzake steekproeftrekking en kwaliteitszorg; dit laatste werd steeds meer een specialiteit van Van Ettinger. Het meeste geld haalde Van Ettinger echter binnen met de inmiddels door hem opgezette schriftelijke cursussen statistiek. Dat was commercieel een enorm succes en hield de werknemers van de Stichting behoorlijk ‘van de straat’ door het vele correctiewerk.

De Bouw

Eind 1941 kreeg de stichting een opdracht vanuit de aannemerswereld: voor de Bouw-jaarbeurs in 1942 wilde men een statistische presentatie waarin tot uitdrukking zou komen hoe groot de betekenis van het bouwen voor Nederland wel was. Jan van Ettinger ging hiermee aan slag samen met Arntz en maakte met veel beeldstatistieken een uitgebreide presentatie. Begin 1942 besloot de bezetter alle bouwactiviteiten te verbieden en dus ook de Jaarbeurs ging niet door. De voorzitter van de Bedrijfsgroep Bouwindustrie, ir.Joop van der Wal (directeur BAM), bracht toen een bezoek aan Van Ettinger om hem dit nieuws mede te delen. Van Ettinger, bij het uitvoeren van de opdracht gegrepen door de complexe bouwwereld, wilde het daar niet bij laten en stelde Van der Wal voor de presentatie om te werken naar een boek. Van der Wal had daar niet zo’n trek in, hij had juist een boek over bouweconomie voltooid (1940), maar Van Ettinger bood aan het te schrijven als Van der Wal hem zou steunen met zijn deskundigheid. Daar ontstond deze belangrijke samenwerking en eind januari 1943 verscheen hun gezamenlijke “Het bouwbedrijf in Nederland”, in de serie “Boeiende statistiek” van de Nederlandse Stichting voor Statistiek.

De samenwerking kreeg al spoedig een vervolg, toen op 9 maart 1943 de Bedrijfsgroep Bouwindustrie het verzoek kreeg van de Algemeen Gemachtigde voor de Wederopbouw, ir.J.Ringers, om “alle gegevens te verzamelen welke uitgangspunt kunnen zijn voor het van regeringswege te voeren bouwbeleid ten aanzien van de bouwnijverheid”. Van der Wal als voorzitter nam direct contact op met Van Ettinger en samen begonnen zij aan de verkenning van deze opdracht. Duidelijk was dat de gegevens van vele kanten moesten komen, dus werd de opdracht doorgespeeld naar de in oprichting zijnde brancheorganisatie Cencobouw (Centraal College van Bedrijfsorganisaties voor het Bouwwezen, dus aannemers, fabrikanten, handelaren, beroepsorganisaties bij elkaar). Van der Wal werd ook voorzitter van die instelling, die op 19 mei 1943 werd opgericht. In een brede vergadering vlak daarvoor, op 13 mei 1943, stelde Van der Wal Van Ettinger voor als degene die de klus zou gaan doen. Van Ettinger bracht de activiteiten in eerste instantie onder bij ‘zijn’ Nederlandse Stichting voor Statistiek, zodat direct begonnen kon worden, maar kort daarop wordt een zelfstandig ‘Bureau Documentatie Bouwwezen’ opgericht, met Van Etttinger als directeur. Dit was de eerste voorloper van wat later het Bouwcentrum is geworden.

Van Ettinger verwierf verder bekendheid als mede-oprichter en voorzitter van de Vereniging voor Statistiek, als mede-eigenaar van een adviesbureau (voor kwaliteitsbeleid en besliskunde) en als voorzitter van de door zijn initiatief ontstane Kwaliteitsdienst voor de Industrie.

Maar voor de meeste mensen die hem kenden, was hij ‘de baas van het Bouwcentrum’, en zo zal hij blijven voortleven. De -in vergelijking met ‘normale’ producten- gefragmenteerde besluitvorming bij het tot stand komen van een gebouw, het ontbreken van een centraal reservoir voor alle kennis en ervaring op bouwgebied deed de gedachte van het Bouwcentrum ontstaan, als ‘clearing house’ voor alle bij de bouw betrokkenen. Een instituut dat bestaande kennis verzamelde, bewerkte, verpakte, verkocht, en dat, waar nodig, nieuwe kennis produceerde. Research en kennisoverdracht op het gebied van bouwen en wonen waren de doeleinden. Het belang van de gebruiker stond voorop.

Wetenschap ten dienste van het geheel komt in gevaar als de beoefenaar zich bindt aan een van de in de bouw opererende belangengroepen: producenten van, en handelaren in bouwmaterialen, architecten, arbeiders, aannemers, financiers, overheid. Van Ettinger heeft altijd voor de onafhankelijkheid van zijn instituut – en voor zijn eigen onafhankelijkheid – gevochten. Het Bouwcentrum is daardoor als bouwresearch-instituut een unicum geworden.

Dat het Bouwcentrum moest worden gevestigd in ‘zijn’ Rotterdam, was voor Van Ettinger een uitgemaakte zaak. In Rotterdam vond hij een aantal mannen die zijn idealen deelden, en die van woorden tot daden kwamen. Zonder veel anderen tekort te doen, wil ik één naam vermelden: mr. K.P. van der Mandele.

Minstens even belangrijk als de steun ‘van boven’ was voor Van Ettinger de steun van onderen, uit de gestadig groeiende groep van zijn medewerkers. Hij was een charismatisch leider van een team dat niet uit de gemakkelijkste personen bestond: pioniers zijn niet van die mensen van wie er dertien in een dozijn gaan.
Zijn manier van leiding geven was, in de goede zin van het woord, paternalistisch. Ambtelijke afstandelijkheid was hem vreemd, de problemen van de timmerlieden en schilders waren voor hem even belangrijk als die van zijn academisch gevormde medewerkers.

Van Ettingers betrokkenheid bij kwaliteit werd reeds vermeld. Kwaliteit vatte hij functioneel op: de wijze waarop een gebouw – of een ander product – in de gebruikersbehoeften voorziet. De mens als gebruiker van goederen en diensten stond voor hem centraal. Van Ettingers opvatting van kwaliteit was humanistisch, zoals zijn levensovertuiging humanistisch en democratisch was. De grenzen van ‘kwaliteit’ trok hij steeds ruimer: kwaliteit van producten, kwaliteit van systemen, kwaliteit van het bestaan, tenslotte de wereldwijde ‘ontwikkelingskwaliteit’. Steeds meer kwam hij op voor de kansarme groepen in Nederland, en ook de kansarmen in de wereld, de bewoners van de derde wereld-landen. ‘Overleven door kwaliteit’ was de boodschap die hij enige jaren na zijn aftreden als leider van het Bouwcentrum in een boek uitzond.

Toen de dood hem op 29 maart 1981 overviel, was Van Ettinger bezig de laatste hand te leggen aan een boek dat sindsdien, met een ten geleide van prof. J. Tinbergen, is verschenen: Groei door kwaliteit.
Een grote Rotterdammer, maar tegelijk een wereldburger, is in het zadel gestorven.

IR. JAN VAN ETTINGER, 1902-1981


Bronnen:

Yvonne Brentjes: Volmaakt Verchroomd / NAi 2007

Janny Lok: Interview met Adri Bakker over NSS / Tijdschrift voor marktonderzoek 1997 jg15 nr3

Jan van Ettinger: Een man van vele goede initiatieven (bij overlijden J.J.van der Wal) / BOUW 1955 p.859

ir.J.van Ettinger 65 jaar: Bouwstenen-special, 13 april 1967

Hans Sittig: Ir.Jan van Ettinger, 1902-1981 / Rotterdams Jaarboekje 1982